Als het aantal badgasten aan het Noordzeestrand afneemt, verschijnen tegenwoordig aan de wadkant duizenden wadgasten: bergeenden. Ze komen van even verderop, richting Griend. Sinds de eeuwwisseling is daar sprake van een concentratie ruiende bergeenden. De laatste jaren gaat het om zo’n 55.000 tot 60.000 vogels.

Gezamenlijk maken ze de slagpenrui door. Ze verliezen hun vleugel- en staartveren en kunnen vier weken niet vliegen. Onontbeerlijk is dan een plek met voldoende voedsel en waar vliegen niet nodig is. Zo’n gebied ligt tegenwoordig tussen Griend en de veerhaven bij Holwerd.

Om dezelfde reden verzamelt zich het overgrote deel van de Noordwest-Europese populatie van oudsher in juli, in de Duitse Bocht. Het aantal liep er op tot wel 216.000 individuen. 

Gelijktijdig met de toename op het Friese wad is de interesse voor die omgeving afgenomen. Recreatiedruk is vermoedelijk de oorzaak.

In het Friese ruigebied lopen geen doorgaande vaarroutes en het is moeilijk begaanbaar voor wadlopers. Met de rust lijkt het daar wel goed te zitten. Maar hoe is het met de voedselbronnen?

Uit onderzoek van het NIOZ (Het Koninklijk Instituut voor Onderzoek der Zee) bleek dat niet alleen het aantal ruiers is toegenomen maar ook het aantal slijkgarnalen. Poepmonsters toonden aan dat het menu zelfs voor 100% uit slijkgarnalen kan bestaan. Doorgaans zijn de slijkgarnalen niet de belangrijkste voedselbron voor bergeenden. Kleine schelpdieren, groenwieren en vooral wadslakjes zijn dat vaak wel. Slijkgarnalen zijn overigens ook klein, hooguit 12 mm.

Een bergeend zeeft die kleintjes uit het zachte slib of uit het water met behulp van lamellen aan de rand van de bovensnavel. Op die manier kunnen er veel tegelijk worden bemachtigd en kan het relatief grote dier toch van kleintjes leven. 

Dat de slijkgarnaal zich zo goed thuis voelt, komt door opslibbing van de wadplaten. Het slib maakt de bovenlaag voor een aantal bodemdieren minder geschikt. Er kunnen geen stevige gangen worden gegraven en kieuwen raken verstopt. Dat biedt meer mogelijkheden voor slijkgarnalen. Hun jongen hebben meer kans te overleven en er is meer vestigingsplaats.

Hoe lang de situatie op het Friese wad zo blijft is onduidelijk. Behalve natuurlijke processen zouden ook zoutwinningsplannen voor verandering kunnen gaan zorgen. In dat geval treedt bodemdaling op. Verwacht wordt dat het systeem de laagte op zal vullen. Eerst met slib, later ook met zand. Het bodemleven zal zich aanpassen. 

Meer onderzoek is nodig voordat kan worden beslist of zoutwinning onder het fijngevoelige waddenecosysteem verstandig is.

Frans van der Stoep, Lelystad. November 2013

4kontour-vastgoed-banner.png2amelanderhistorie.jpg6vpva.png5sparmanje.jpg3Huize-Miedema.png1Kienstrabouwbedrijf.jpg7bg-logo1-1.gif

 

Copyright 2016 De Amelander

Design:Webtool4all