Zo nu en dan – vaker dan je denkt – krijg ik weleens de vraag waarom ik nu zo graag op een eiland woon. Nu is die vraag niet helemaal op z'n plek. Ik hoef niet per se op een eiland te wonen. Maar Ameland is thuis. En dat is toevallig een eiland. Maar het neemt niet weg dat mensen die me dat vragen, wel een punt hebben. Voor de goede orde: dat zijn altijd mensen van het vasteland. Ik weet nog goed dat ik voor het eerst op de middelbare school in Leeuwarden kwam. We kregen daar een rondleiding van mevrouw Jepma. Die school werd het overigens niet, maar ik ben mevrouw Jepma nooit vergeten. Meer mensen in het gezelschap van dat groepje toen, zullen ongetwijfeld nu een glimlach op hun wangen krullen.

Die desbetreffende school had een keurig karakter. Uiteindelijk heb ik mijn HAVO-diploma elders behaald. Net daar waren de leerlingen een stuk brutaler. Toen wij daar als Amelander wild door de school banjerden, kwamen daar plots die ene twee vragen: 'Hebben jullie daar wel radio en televisie? En internet?'. Het had nog een serieuze ondertoon ook. We hebben erom gelachen. Maar het is me wel altijd bijgebleven. Net moest ik er weer aan denken. Want wat gebeurde er nu plots, op deze vrijdagmiddag 16 april? Ineens zijn we compleet afgesloten van de buitenwereld. Gelukkig heeft pa postduiven; zodoende kan ik mijn werkgever laten weten dat het onmogelijk is om op dit moment nog verder te werken.

Vrijdag is namelijk mijn vaste werkdag bij WielerFlits. Vanochtend hebben NOC*NSF, de Koninklijke Nederlandse Wielrenunie en topploeg Jumbo-Visma een nieuw concept aangekondigd: CyclingClassNL. Een samenwerking tussen een bond en een commerciële wielerploeg, met daarboven een overkoepelend sportorgaan. Doel: de volgende generaties Mathieu van der Poel, Tom Dumoulin en Marianne Vos vanuit de puberteit opleiden tot topsporter. De details zal ik je besparen. Belangstellende media konden zich aanmelden voor een Zoom-meeting later vandaag. Ik heb mezelf gespecialiseerd in jeugdwielrennen en dus meldde ik mijn hoofdredacteur dat ik graag zou aanschuiven. Het bleek een gouden zet.

Want wat schetste zojuist mijn verbazing? Samen met De Volkskrant-collega Rob Gollin hebben we ons als enige aangemeld. Aan de overzijde van de lijn: technisch directeur van NOC*NSF Maurits Hendriks, KNWU-directeur Thorwald Veneberg, Jumbo-Visma-algemeen directeur Richard Plugge en de sportief directeur bij diezelfde ploeg, Merijn Zeeman. Nu is het niet zo dat deze beleidsbepalers onbereikbaar zijn voor WielerFlits, integendeel zelfs. Maar om ze alle vier bij elkaar en vrijwel een-op-een te kunnen spreken, gebeurt nooit. Een heel waardevolle meeting om een uniek verhaal te maken én als media-titel te laten zien dat je hun plannen en ambities serieus neemt. Dat kweekt vertrouwen; erg belangrijke bijvangst.

Het was zojuist 14.24 uur. Tijdens een pleidooi van Zeeman knalt ineens de meeting uit. Nu is dat geen ramp, want tijdens het coronaproof thuiswerken via videobellen heb ik geleerd dat te accepteren. De techniek werkt niet altijd mee. Maar nu lukt het mij niet om me weer in deze essentiële meeting te mengen. Plots komt moeders – die op vrijdag oppast op onze kleine meid – met de volgende opmerking: 'De wasmachine en de keuken hebben ook geen stroom'. Ik haast me naar de meterkast, want wat zouden die beleidsbepalers nu wel niet denken? Eenmaal de kast open, stonden alle schakelaars dezelfde (goede) kant op. En dus weet ik hoe laat het is: een stroomstoring bij Liander. Geen stroom en dus geen internet.

Geluk bij een ongeluk: bellen gaat nog. Ik probeer eerst Merijn Zeeman, geen gehoor. Daarna bel ik Richard Plugge, hij neemt gelukkig wel op. Hij zet mij op de speaker en zodoende kan ik het gesprek verder voeren en mijn vragen stellen. Net nadat het gesprek geëindigd is, is bellen ook niet meer mogelijk. Ik kom dus al snel tot de conclusie dat ik niet verder kan werken. Ik besluit meteen om hierover mijn column te tikken. Want hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat dit nog kan, anno 2021? Geen stroom, geen internet en geen telefonie. Onze wereld is dermate gedigitaliseerd de laatste twintig jaar, dat een stroomstoring als deze meteen verstrekkende gevolgen heeft. Ameland staat even stil.

Mijn moeder laat weten dat mijn broertje – lid van de vrijwillige brandweer – via een sporadisch berichtje dat wel doorkomt, zegt dat hij moet posten in het dorp. De hulpdiensten zijn namelijk ook onbereikbaar en dus staan zij in het centrum om mensen te informeren over het hoe en wat. Dat vind ik prachtig en echt schandalig tegelijk. Dit kan gaan om leven en dood. Ook in december was er bij Liander al een grote stroomstoring op het eiland. Zij moeten zorgdragen voor bijvoorbeeld noodaggregaten waarop Ameland kan overschakelen, zodat we in ieder geval de hulpdiensten kunnen bereiken. Want wat als kwaadwillenden onze stroomvoorziening afsnijden? Dan zijn we ten dode opgeschreven.

Tot zo ver mijn relaas. Deels gevoed door verbazing over een zorgwekkende situatie, grotendeels gevoed door de frustratie door het niet goed achterlaten van een indruk en het niet kunnen verder werken vanmiddag. Ik heb er maar het beste van gemaakt en zojuist meteen deze column geschreven. Een schok voor hoofdredacteur Klaas, want vaak is dat het laatste artikel waarop hij zit te wachten. Nu heb ik hem al bijna klaar, terwijl dat pas over zeven dagen hoeft. Wel had ik een andere uitdaging. Het was dit keer niet opboksen tegen de naderende deadline, maar vechten tegen het leeggaan van de batterij van mijn laptop.

Maar gelukkig heb ik die strijd gewo