• 0519-555100
  • 06-22485795
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Welkom op deamelander.nl

Bedenk iets fraais en kom ermee aanwaaien

In de hedendaagse polemiek is tijd een schaars goed. Onthaasten is de trend. Goed eten en drinken de nieuwe norm. En het liefst ook nog op maat en zo persoonlijk mogelijk. Sommelier Egbert Reining en kok Danny Wijnberg bundelden daarom de krachten en introduceerden wine & dine. Aan huis, welteverstaan: Proeven op Ameland. Geboren uit passie voor het vak. Aan de vaste wal een gekend concept, maar uniek op het eiland.

Egbert (47) heeft in de loop der jaren zijn sporen verdiend. Jarenlang was hij sommelier bij het vooraanstaande Restaurant Nobel in Ballum. Egberts wijnkennis is een begrip op Ameland en intussen ook daarbuiten. Sinds 2019 is hij voor zichzelf begonnen en heeft hij een eigen wijnwinkel in het centrum van Hollum, Wijnen van Egbert. Eilanders en ook toeristen weten hem te vinden. Hij houdt in zijn winkel regelmatig proeverijen die vaak binnen een mum van tijd volgeboekt zijn. Daarnaast levert hij ook topkwaliteit wijnen aan de horeca op Ameland. Het bleek een schot in de roos, want de aanloop en aanvraag in de winkel loopt heel goed.

Danny (32) is op zijn beurt al jarenlang kok. Hij leerde de fijne kneepjes van het vak onder meer bij Restaurant De Klimop in Nes en bij Hotel-Restaurant Nobel. Hun relatie loopt verder terug, want Egbert was bij S.C. Amelandia een aantal jaren trainer, toen Danny in zijn tienerjaren nog voetbalde. Daarna werkte de kok jarenlang bij Cantina Dolores in Hollum. Een aantal jaar geleden is hij een eigen bedrijf gestart met de naam Wad’n Keuken. Hij specialiseerde zich in het maken van kroketten en bitterballen en ook dat heeft snel naam en faam gemaakt op Ameland.

Ontstaan Proeven op Ameland

Egbert en Danny speelden al langere tijd met het idee om samen iets te doen. Gewoon, voor de leuk. ‘Het is vooral liefhebberij’, stelt Danny. Egbert vult hem aan. ‘Het is ooit ontstaan – en volgens mij was jij daar zelf ook nog bij, Youri – uit een geintje. Ik had wijn meegenomen uit de Elzas. We hadden elkaar getroffen bij de Amstel Gold Race. Ik ging daarna nog op doorreis. Toen maakte Danny de opmerking dat ik een paar goede wijntjes moest meenemen voor een proeverij en riep ik dat hij er dan maar bij moest koken. Toen kwam dat dus op een bewuste avond bij elkaar en eigenlijk is dat idee sinds die tijd blijven hangen.’

Er volgde daarna nogal eens een wijnproeverij als Egbert ergens was geweest en steeds verzorgde Danny er dan een hapje bij. Op een gegeven moment zei de sommelier tegen de kok: ‘Hier moeten we wat mee doen.’ Maar Egbert werkte toen nog bij Nobel en Danny had de Mexicaan (lees: Cantina Dolores) nog. ‘Het bleef een beetje bij een leuk idee’, zegt Danny. ‘Totdat je met de wijnwinkel begon, begin 2019. Bij een van de eerste proeverijen maakte iemand de opmerking dat we zo ook best weleens voor hen konden koken. Toen is het balletje gaan rollen en zijn we om tafel gaan zitten. Kort daarna volgde de eerste avond.’

Liefhebberij

Het concept van Egbert en Danny sloeg meteen aan. Ze lieten niets aan het toeval over. ‘We hebben heel goed couvert, Egbert heeft heel mooi, goed glaswerk en ik heb goed servies, allemaal verschillende borden voor zes of zeven gangen’, vertelt Danny. Ondanks dat beide mannen het als hobby erbij doen, willen ze wel kwaliteit leveren. ‘We hoeven elkaar na anderhalf jaar ook niets meer te vertellen’, stelt Egbert. ‘We parkeren de auto, we pakken onze spullen en we beginnen. Tien minuten later staat de amuse op tafel en kan het feest beginnen. Eén blik is genoeg. Dat is het grote voordeel als je met z’n tweeën werkt.’

Om een goed beeld te schetsen, legt Danny uit hoe hij Proeven op Ameland naast zijn krokettenmakerij doet. ‘Voor Egbert zit het voorbereidende werk vooral in het oppoetsen van de glazen. Maar neem nu het weekend van 25 en 26 september, toen ik op vrijdag- en zaterdagavond een diner had. Twee keer vijf gangen met een amuse erbij. Dat kost mij vrijdag heel de dag, om alle gangen zo voor te bereiden dat het ’s avonds een peulenschil is. Het zwaartepunt ligt overdag. ’s Avonds hoef ik bijna niets meer te doen. Van de vijf uur dat we op locatie zijn, heb ik anderhalf uur wat te doen. Waarvan slechts drie minuten druk.’

Amelander producten

Proeven op Ameland is dus uniek op Ameland. ‘We wilden niet iets neerzetten wat hier al is’, verduidelijkt Egbert. ‘Wat we op tafel neerzetten, zijn topproducten. Amelander producten, ook. Eigenlijk werken we uitsluitend met producten die afkomstig zijn van het eiland. Mensen vinden dat fantastisch! En wij ook. Er zijn zulke hoogwaardige producten hier op Ameland, dat is super om mee te werken. Dat begeleiden we met heel goede wijnen. Daar bezuinigen we niet op. Er moet topwijn bij. Dat merk je en dat proef je. Mensen proeven dat ook. De drank-spijscombinatie. De wijn maakt het eten sterker en andersom.’

Wine & dine dus, zoals dat tegenwoordig zo lekker bekt in de volksmond. Beide mannen kunnen alles op maat maken. De gast kan het zo gek niet bedenken. ‘Ik denk dat we het concept de laatste tijd wel te pakken hebben’, stipt Egbert aan. ‘Maar we kunnen doen wat we willen. Hoe veel gangen had die groep van die twaalf dames (voordat corona uitbrak, red.) wel niet?’, vraagt hij aan Danny. ‘Tien’, antwoordt de kok. ‘Ons maakt het dus niet uit’, gaat Egbert weer verder. ‘We zijn toen met champagne en oesters begonnen, zelf garnalen pellen zat er nog bij. Dat is gewoon superleuk. Mensen waarderen dat ook.’

Menu op maat

Bedenk iets fraais en kom ermee aanwaaien; Egbert en Danny vullen die wensen naar hartenlust in. ‘Maar intussen weten we wel wat het goed doet en wat niet’, vertelt de kok. ‘Ter inspiratie sturen we nu een vijfgangenmenu mee en bijna iedereen kiest daarvoor. Voorheen deden we altijd minimaal vier gangen, maar vandaag de dag gaat het niet meer onder de vijf gangen. En vaak dan nog met uitbreidingen, zoals bijvoorbeeld de oesters en de champagne of cava. De schelpdieren maak ik à la minute open. Ik doe dat dan voor en daarna mogen de mensen het zelf proberen. Dat zorgt ook voor een erg leuke interactie.’

Dat standaardmenu wat ze aanbieden, bestaat uit vijf gangen. Men start met een amuse, vaak gevolgd door een carpaccio van de Hereford-koeien van Ab Kiewied. Daarna krijgen ze een pappardelle (een pastasoort, red.) voorgeschoteld met zeevruchten, zoals coquilles, gamba’s, kokkels en een hollandaisesaus. Het hoofdgerecht in het najaar is gemaakt van het Amelander lam, met pastinaakpuree en een aantal groenten. Als vierde gerecht volgt een Amelander kaasplank van de Kaasboerderij, om af te sluiten met een chocolademousse of muntroom gemaakt van de melk van de Zuivelboerderij Ameland. Dat flankeert de kok met bonbons van De Swiete Loads. En uiteraard de bijpassende wijnen niet te vergeten.

‘Het is wel de bedoeling dat alle mensen het lekker vinden’, stelt Egbert. ‘Daarmee bedoel ik dat we ook een passend gerecht serveren als er bijvoorbeeld iemand in de groep zit die geen vlees eet.’ Dat benadrukt ook Danny: ‘Het is echt maatwerk. We passen het aan naar de wens van de gast. Maar er komen natuurlijk ook wel gerechten terug die we vaker serveren. Carpaccio is natuurlijk een klassieker, die doet het altijd goed. Maar soms werkt ook iets weleens niet. Mosterdsoep is bijvoorbeeld lastig te combineren met wijn. Het kan wel, maar een sterk gerecht met vlees of vis doet het beter en heeft dan de voorkeur.’

Fijnproevers

Egbert heeft door zijn jarenlange ervaring vaak aan een half woord genoeg om een bijpassende wijn met het goede jaartal aan een gerecht van Danny te koppelen. En anders heeft hij aan een halve lepel genoeg. ‘Laatst hadden we dat nog, met die risotto’, herinnert de kok zich. ‘Ik maak dat dan voor, ’s middags. Dan neem ik een bordje mee vanuit de keuken bij mij naar de winkel van Egbert. Dan haalt hij er een paar glazen wijn bij en dan gaan we samen zitten – of soms met een proefpersoon erbij. Dan is het een kwestie van kiezen welke wijn er het beste bij past, of dat je nog iets meer cachet aan de risotto geeft.’

De sommelier vult zijn compagnon aan. ‘De gerechten moeten oplopen in smaak. Voor de wijn geldt exact hetzelfde. De wijn- en smaakkeuze gaan omhoog. Uiteindelijk moet je een ultieme climax hebben. Dat is heel belangrijk. Alleen dat is wel mijn eigen vak, dat heb ik 23 jaar lang gedaan. Ik weet niet beter; ik ben daar altijd mee bezig. Het kan gerust zo zijn dat ik Danny eens terugfluit, als ik met de wijn in de knel kom.’ De kok beaamt dat: ‘Egbert heeft daar meer kennis van dan ik heb. Hij is daar beter in getraind. Ik kan wel zeggen of de wijn-spijs-combinatie lekker is of niet, maar Egbert kent de klassieke combinaties uit zijn hoofd.’

‘Neem nu die risotto als voorbeeld’, legt Egbert uit. ‘Als ik dat proef, weet ik precies welke wijn daarbij past en – niet onbelangrijk – ook welk jaar. Dat heb ik gelijk in mijn hoofd. Daarbij moet ik wel in ogenschouw nemen dat die wijn niet uit de band loopt met de wijn die bij het gerecht ervoor én erna zit. Natuurlijk twijfel ik ook weleens. Daarom proeven we zelf ook altijd even. Ik doe niets op de gok. Door mijn ervaring en omdat ik zo onderhand precies wel weet hoe Danny kookt, kan hij me uitleggen hoe het gerecht is opgebouwd. Dan hoef ik alleen nog maar naar het schap te lopen om de goede wijn eruit te pakken.’

Persoonlijk contact

Egbert en Danny genieten zelf ook logischerwijs van deze uit de hand gelopen hobby. ‘Het leuke is dat je alle tijd voor de gasten hebt’, legt Egbert – onder het genot van zijn eigen heerlijke, witte Parel van Ameland en (later tijdens het interview) een voortreffelijke rode wijn uit Australië – uit. ‘Je hebt maar één tafel. Danny vertelt alles over het eiland, waar welke producten vandaan komen, waar de Hereford-koeien lopen, dat soort zaken. Mensen vinden dat fantastisch. Met de wijnen doe ik dat net zo uitgebreid. Ik vertel precies van welke wijngaard het komt en waaraan die bepaalde wijn zijn karakteristieke smaak dankt.’

‘Dat is wel een pluspunt’, vindt Danny. ‘Natuurlijk hangt er een prijskaartje aan. Maar daarvoor krijg je wel eten en drinken van topkwaliteit én heb je alle tijd voor de gasten. Met ons concept is het ook meer eigen dan wanneer ze met de hele familie gaan uiteten in een restaurant. Vaak is het bij mensen thuis of op hun vakantieadres. Wij zijn dan te gast op een avond plezier, waarbij mensen bijvoorbeeld ook over privézaken praten. Mensen hebben ook geen last van ons, we dansen gewoon om hen heen. Laatst zaten mensen nog lekker te uitbuiken en waren ze verbaasd dat we in no time de keuken al schoon hadden.’

Met Proeven op Ameland proberen ze ook altijd vooraf een goed beeld te schetsen van het gezelschap. Vooral Egbert vindt het dan leuk om van de gebaande wegen af te wijken. ‘Sommige mensen willen weleens wat anders’, legt hij uit. ‘Dan kies je een keer voor een verrassing in plaats van een klassieker. Je hoopt dan alleen wel dat iedereen het altijd lust, omdat sommige wijnen – zeker in combinatie met spijs – hele specifieke smaken hebben. Daar moet je van houden. Zo’n wijn kun je niet altijd en overal bij iedereen neerzetten. Mijn mensenkennis zegt me vaak welke gasten ik moet uitdagen. Dat vinden ze dan supermooi.’

Goed team

Beide mannen vormen een prima tandem. ‘Op een dag met diner spreken we elkaar zo’n vijf keer’, denkt Danny hardop. ‘Meer is er niet nodig. Soms is het iets vaker, als we een keer iets anders proberen. Je moet soms durven en vaak waarderen gasten dat wel. Ook omdat we steeds beter kunnen aanvoelen wat zij willen, staan we bij binnenkomst al vaak met 1-0 voor. Dat bedoel ik niet arrogant. Wij hebben de touwtjes in handen. Dat wil niet zeggen dat de mensen niet kritisch mogen zijn. Graag zelfs. Alleen we hebben wel tegen elkaar gezegd: ‘het is leuk zoals het nu gaat. Maar het moet niet structureel drie keer per week zijn’.’

‘Egbert is altijd op niveau een sommelier geweest. Ik heb ook jaren ervaring, maar op een ander niveau. Ik ben wel een liefhebber, heb veel gezien en geprobeerd’, lacht Danny. ‘Maar je groeit wel naar elkaar toe, je stuwt elkaar echt omhoog’, vult Egbert aan. ‘Het is voor ons beiden ook voor de leuk. Het moet niet. Voor Danny en mij is dit echt hobby, we vinden het leuk om te doen. Zodoende blijven we ook een beetje in ons oude vak.’ Ook Danny glundert als we het over het initiatief hebben. ‘Ik vind het oprecht fantastisch werk. Als je kwaad wilt, zou je er misschien van kunnen leven. Maar dat is niet onze doelstelling. Twee avonden in de week is prima, maar niet meer.’

Mond-op-mond reclame

Dat het hobbyen Egbert en Danny zo voor de wind gaat, blijkt uit het feit dat ze nauwelijks adverteren. Terwijl ze toch gemiddeld zes wine & dines per maand doen, op dit moment. ‘Volgend jaar komt er nog eens een website’, gniffelt Egbert – websites bouwen is ook een van zijn hobby’s. ‘De domeinnaam ligt al wel vast, maar dat ter zijde. Vaak komen mensen bij mij in de winkel. Velen kennen mij al veel jaar als sommelier. Daar vertel ik hen – net zoals op mijn eigen website – over de wijn- en champagneproeverijen die ik organiseer, maar dus ook over Proeven op Ameland. Het wekt vaak hun aandacht en dan leg ik het uit.’

Van het een komt dan vaak het ander. ‘Ook bij de proeverijen hier, verzorgt Danny lekkere hapjes. Vaak zijn dat logischerwijs zijn kroketjes of bitterballen’, gaat Egbert verder. ‘Ook dan haal ik het vaak aan. In feite doen we dus alleen aan mond-op-mond reclame. En dat werkt voor ons beter dan wat voor advertentie dan ook. Het zijn liefhebbers. Die hebben we al geselecteerd, puur en alleen omdat ze hier over de drempel van mijn wijnwinkel stappen. En als ze dan genoeg meenemen – als in: dan zijn ze niet onbekend met de verschillende wijnsmaken – ga ik met ze babbelen en gooi ik vaak Proeven op Ameland op tafel.’

Dat werkt, want intussen zijn de sommelier en de kok ook al meermaals bij dezelfde, verschillende gasten langs geweest. ‘Het is onvoorstelbaar hoe blij je mensen kunt maken met een beetje eten’, glundert Danny. ‘Je krijgt vaak ook applaus. Daar doe je het niet voor, maar dat maakt je wel blij.’ Ook Egbert beleeft dat. ‘Juist omdat we niet willen dat het business as usual is. Dat is het gevaar. Daarom is iedere avond anders, met andere gerechten en andere wijnen. Dat maakt het net zo leuk, dat we ons eigen product zo specifiek op onze gasten kunnen aanpassen. Dat is ons sterke punt. Een restaurant kan dat nooit, maar wij wel. Niet slecht hè, voor een paar hobbyisten’, sluit Egbert met een knipoog af.

Nog geen plannen voor de kerstvakantie? Proeven op Ameland heeft nog een aantal avonden leeg in de agenda.

e6860309-7f77-4382-8a34-484fc6256738
e1b1d8d1-77e9-422f-a22d-00ea5bf9041a
d43e8ea5-17f4-4753-be55-6fc2e8ac1c8b
33067c9b-36cb-4978-9e38-4fb856967ab2
23e4928a-2554-4678-bb4a-34361dc697e2---kopie
94bf275c-c25d-47ac-9d7d-8bcf5c50ab3d


Handelen naar de geest van de wet is eerder mijn handelswijze dan handelen naar de letter van de wet

Als hem door het personeel van Wagenborg Passagiersdiensten op de veerboot gevraagd wordt om te bemiddelen staat Gjalt Wijbenga onmiddellijk op. Aan boord is een mondkapje verplicht en bij het aanspreken van een van de passagiers door de bemanning, wordt het dragen van een mondkapje door de passagier geweigerd. Gjalt Wijbenga, in burgerkleding, maakt zich bekend en toont zijn identificatiebewijs. Meer is niet nodig om de passagier te overtuigen zich te houden aan de voorschriften aan boord. Waarom lukt het Gjalt Wijbenga onmiddellijk om iemand wel een mondkapje te laten dragen? Zijn het zijn grijze haren, die verraden hoelang hij al politieman is, of is het zijn overredingskracht? Is het zijn glimlach dan, onder de vriendelijke, maar besliste ogen? Op de middag van dit interview zijn fotografe Nicole Nagtegaal en ik iets na elkaar op het politiebureau. Zij voor het maken van portretfoto’s, ik voor het maken van een geschreven portret. Deze middag kijkt hij terug op zijn lange loopbaan. Hij legt uit wat hem is overkomen en hoe hij tot het besluit kwam om afscheid te nemen van zijn politiewerk op Ameland.

Een interview in plaats van een afscheidsfeest.
Corona maakt het Gjalt Wijbenga niet gemakkelijk, zoals het virus het zovele mensen niet gemakkelijk maakt. Om gezondheidsredenen moet hij op 63-jarige leeftijd stoppen met zijn functie. Normaal gesproken zou er een afscheidsreceptie zijn geweest, zou er aandacht zijn besteed aan zijn vertrek. Na gaat het bijna ongemerkt gebeuren. Zijn vader, werkzaam bij de marechaussee, overleed aan een hartinfarct als 47-jarige. Dat Gjalt zelf genetisch belast is met hart- en vaatziekten weet hij al sinds 2005, toen hij een hartinfarct kreeg. Het feit dat hij rookte en een workaholic was met een heel stevige baan als coördinator van het Crimeteam in Leeuwarden had niet echt geholpen om dit hartinfarct te voorkomen. Na 2005 ging het jarenlang goed tot hij vorig jaar op 22 september die klachten als druk op de borst, pijn in de arm en in de kaak weer kreeg. Gjalt Wijbenga: ‘Het paste me helemaal niet. We zouden gaan eten in het Koaikershuus. Mijn vrouw maakte een reis naar Marokko en was juist die dag vertrokken. Moest ik alles en iedereen ongerust maken? Ik besloot Martine, onze gastvrouw in het Koaikershuus te vragen om twee aspirientjes en zette de avond voort. De dinsdag erop deed ik mee aan een integrale beroepsvaardigheidstraining. ’s Avonds ging het weer mis. Toen heb ik wel 112 gebeld en wat ik veel erger vond om te doen: ik belde mijn dochter. Ze blijft toch altijd je kleine meisje en nu moest ik haar vertellen dat het niet goed ging met mij. Maar ik dacht, ik heb zondag al zoveel geluk gehad, dat krijg ik geen tweede keer, ik moet mezelf wel een eerlijke kans op genezing geven. Ik ben gedotterd en heb drie stents gekregen. Ik stopte met roken. Maar ik was een gewaarschuwd man. Dit tweede hartinfarct heeft me doen relativeren en toen de mogelijkheid zich voordeed om eerder dan bij mijn pensioengerechtigde leeftijd te stoppen met werken, heb ik besloten die kans aan te grijpen’.

Als u alles overziet en terug kijkt, zou u dan weer kiezen voor de politie?
‘Ik weet niet of ik weer opnieuw bij de politie zou willen gaan. Toen ik daarvoor koos, veertig jaar geleden was ik heel erg geïnspireerd door mijn vader. Hij had altijd een uniform gedragen, was bij de marechaussee. Bovendien was het optreden van de politie toen heel mensgericht, nu is het meer protocolgericht. Misschien zou ik nu wel maatschappelijk werk gaan doen. Ik heb de mens achter de begane misstap altijd belangrijker gevonden dan de misstap of misdaad. Ik weet nog dat ik een vijftienjarige betrapte op fietsen zonder achterlicht. Tja, ik kon hem bekeuren of ik kon even met hem mee naar binnen lopen in zijn ouderlijk huis en zijn ouders wijzen op dat kapotte achterlicht. Ze hadden het niet breed. Ik wist dat een bekeuring zou betekenen dat het langer zou duren voor de fiets bij de fietsenmaker werd gemaakt.’

Als ik zo naar u luister dan bespeur ik een groot gevoel voor rechtvaardigheid, een wil om naar het waarom te zoeken.
‘Soms ben ik jaloers op klokkenluiders, mensen die de vinger op de zere plek leggen. In ieder beroep is soms sprake van een ongeschreven competitie, zeker bij het crime-team heb ik dat ervaren en dan ben je wel eens teleurgesteld. Maar het mag niet zo zijn dat wrok of frustratie de boventoon gaat voeren. Als ik dacht daarin fout te zitten, kaartte ik dat aan de volgende dag en zei: ‘Het ging gisteren niet helemaal goed, hoe lijkt het: beginnen we opnieuw?’ Collega’s worden toegewezen, vrienden kies je uit. Ik kon met de meesten van hen goed opschieten. Nu ik afscheid neem, vraag ik me af: Ben ik in mijn beroep rechtvaardig geweest, ben ik zoals ik mezelf als doel had gesteld, altijd voor de zwakkere opgekomen?’

U bedoelt dat er niet altijd een pasklare oplossing bestaat voor een situatie die zich voordoet?
‘Soms lijkt het er niet op: ik herinner me een oude dame, die werd binnen gesleept. Ze had een winkeldiefstal begaan. Ik heb mijn computer uitgezet en gezegd tegen mijn collega’s: we houden op. Toen ik vertelde dat ik haar dochter ging bellen was ze hevig geschrokken en probeerde dat te voorkomen. Ik zocht ook contact met haar advocaat. Wat bleek: de oudere dame had heel kort daarvoor haar man verloren en was zichzelf even helemaal kwijt. Moest ik haar een strafblad bezorgen? Een andere winkeldiefstal werd gepleegd door een jongetje van acht. Hij had frisdrank en koekjes gestolen. Hij komt bij mij en ik vertel hem dat dit niet goed was, hij had straf verdiend. ‘Je krijgt nu van mij straf.’ Ik heb hem in de hoek gezet met zijn handen op zijn rug. Toen zijn moeder kwam om hem te halen, bleek hij een sleutelkind te zijn. Ik heb het jongetje nooit terug gezien, gelukkig. Mijn motto is: Als je ’s avonds voor je naar bed gaat in de spiegel kijkt, moet je jezelf in de ogen kunnen kijken. Dat betekende voor mij wel eens een berisping van een meerdere: brigadier Wijbenga, we zijn heel tevreden, maar je schrijft wel erg weinig bekeuringen uit.’

Op dit moment van het interview nemen we een pauze. Fotografe Nicole wil een rondje maken langs de fotogenieke plekken: zijn bureau en de voorkant van het bureau naast het kleine beeldje. Vervolgens gaan we zelfs nog even naar de cel. Gjalt Wijbenga: ‘Deze cellen worden niet meer gebruikt omdat ze niet de goede lengte hebben. Ze zouden twee centimeter hoger moeten zijn’. Of hij het daarmee eens is valt uit zijn gezichtsuitdrukking niet af te lezen…. Daarna vervolgen we het interview.

Het moet een klap geweest zijn om uw vader zo vroeg te verliezen.
‘Ik kom uit een heel warm gezin, mijn moeder was een schat en mijn zus is dat ook. Hoewel mijn vader jong overleed, heb ik hem goed leren kennen en kennis gemaakt met zijn principes. (Lachend): Toen ik eens iets had uitgevreten wat volstrekt niet door de beugel kon, heb ik de traptreden niet gevoeld onderweg naar mijn kamer boven. Hij was rechtlijnig en breeddenkend tegelijk. Hij hield van de songs van Robert Long, zijn teksten raakten hem als mens. Ik heb veel gereisd, samen met mijn vrouw. Maar wat ik heel graag zou willen is een reis maken over Java. Mijn vader was in Indië bij de Prinses Irenebrigade en ik zou graag zijn routing over Java willen weten, waar is hij geweest, wat heeft hij gezien? Er is veel over geschreven, bijvoorbeeld het boek ‘Op klompen door de dessa’ van Hylke Speerstra, maar dat maakt niet dat ik zijn belevenissen daar ken.’

Zoals uw vader hield van de songs van Robert Long, zo houdt u van Ierse muziek?
‘Ah, dat gaat bij mij veel verder. Ik zing in een Ierse band, we gaan met de band op studiereis naar Ierland, we zingen op plaatsen waar de gebeurtenissen die we bezingen echt hebben plaatsgevonden. Ieren zijn lang onderdrukt geweest. Ik vind het een prachtvolk. Sterker nog: Ierland voelt als een tweede vaderland. Een stad als Belfast, een groep als de IRA, als je daar bent dan voel je het ontstaan ervan. Weet je dat Nederlanders hun aandeel hebben gehad in die strijd: zij brachten het Protestantse geloof naar Katholieke Ierland. Zo ontstond de bron van alle ellende. Maar de Ierse muziek bezorgt mij vooral veel plezier, ik ga ’s avonds graag naar een Ierse pup, waar altijd wel een muzikant optreedt, nog eens: het is mijn tweede vaderland.’

En Ameland dan?
Peinzend: ‘Misschien is dat wel mijn tweede moederland. Ik zal uitleggen waarom. Ik ben in Enschede geboren en heb altijd een mama gehad, maar nu heb ik ook een moeder. Een moeder op Ameland. Tien jaar geleden kwam deze plek vrij op Ameland. Ik was hersteld na mijn hartinfarct in 2005 en kon reïntegreren. Ik werd leidinggevende in St. Annaparochie met 40 mensen onder mij. Iedere maandag werd mij gevraagd wat de bedoeling was, wat hun taak was voor aankomende week. De meesten werkten er langer dan ik. Ik kon daar niet goed tegen, dus ik solliciteerde naar de plek op Ameland. Al op een van de eerste dagen kwam de toen 85-jarige mevrouw Twickler bij me langs op het bureau en bood haar appartement aan, wat zich in haar huis bevindt. Ik besloot haar aanbod te accepteren. In de loop van de tijd ontstond er een bijzondere verhouding tussen deze dame en haar kinderen en mij, we zijn naar elkaar toe gegroeid. Mevrouw Twickler heeft zeven dochters gekregen in haar leven, maar nu vertelt ze me dat ze toch nog haar langverwachte zoon heeft gekregen en haar dochters een halfbroer. Moeder Twickler werd ze voor mij. Ik begrijp wel dat er een oorspronkelijke motivatie was: als ik er ben, met mijn functie als politieman, ontstaat er voor haar veiligheid in huis. Maar er overkwam ons iets: voor mij ontstond er een warm plekje op Ameland en voor haar: ik pas op haar, zorg voor haar medicatie en zal zeker als ik niet meer op het bureau kom mijn taak als mantelzorger regelmatig op me nemen’.

Het lijkt me niet altijd gemakkelijk om op een eiland, waar je bijna iedereen kent, iemand te moeten beboeten.
Dat was eerlijk gezegd lastiger toen ik, in januari 1983 als jong agent begon in Ferwerd, waar ik woonde, en de dorpen er om heen. Het maakt ook verschil of je 20, 30, 40 of 60 bent. Als je als beginnend agent de moeder van je maat moet berispen, of nog erger: je maat op zijn gedrag moet aanspreken, dan heb je te maken met een bijzonder krachtenspel. Met het stijgen van je leeftijd wordt dat gemakkelijker. Ik ben eigenlijk iedere zomer vanwege het waddenpoolen ook op Ameland geweest. Ik meldde me altijd aan, het is altijd mijn eiland geweest, mijn eilander bevolking. Zeker: het is een apart slag volk. Je kunt nog altijd merken dat Ameland vroeger een vrijstaat is geweest. Wat hebben wij met die lui van de wal te maken? Ik ben jager, ik kan me in de gedachtegang van de Amelander goed vinden. Vergeet niet: contact met de politie is vaak gebaseerd op een negatieve basis: al is het maar de aangifte van een vermiste portemonnee, leuk is anders. Als je aangifte moet doen van een inbraak is dat ook een heel negatieve ervaring, een inbreuk op je privacy. Als politieman moet je daar je weg in vinden. Maar de Amelander is in wezen politieminded. Als we moeten ingrijpen in een rel bij een discotheek gaan we daar met twee man heen. We staan als politie bij voorbaat tegenover een overmacht. Zeker kunnen we assistentie inroepen, maar waar komt die vandaan? Van de vaste wal, wanneer kan die er zijn? Dan weten we als agenten dat we op de Amelanders kunnen rekenen, de portier van de disco, maar ook de omstanders. Ik heb hier op Ameland maar één keer hoeven vechten, in mijn hele carrière maar drie keer. Ik hou daar niet van, laat zelfs bijna altijd mijn wapenstok thuis. Ik hoefde hen niet te vragen. Maar tijdens die ene keer voelde ik dat ik kon rekenen op de Amelanders om ons heen. Meestal heb je meer succes met een vermanend woord, of een arm om een schouder. Wat je uitzendt, krijg je terug. Bovendien: iemand die een strafbaar feit pleegt, doet dat niet ten opzichte van mij. Moet ik hem dan boos bejegenen? Ik kies voor neutraal. Bovendien vind ik dat we het moeten opnemen voor de zwakkere in de samenleving. Ik ga op zoek naar het waarom.’

De arm om de schouder, dat werkelijk begaan zijn met iemand, ontstond dat in de loop van uw leven?
‘De arm om de schouder is in onbruik geraakt door de corona op dit moment. Maar toen in deze zomer het Duitse meisje zo ongelukkig verdronk en ik tegenover de ouders en haar zusje stond, bestond er voor mij geen corona. Mijn vrouw is Duitse, dus ik had niet te maken met een gebrek aan het vinden van woorden. Het zijn zulke ingrijpende situaties. Als mens word je door heel veel dingen gevormd: een deel is genetisch bepaald, je omgeving, je opvoeding, de groep waarin je functioneert, een vermanend gesprek, het heeft allemaal invloed. Maar soms moet je ook gewoon afsluiten, zeggen: kom we gaan naar huis. En ik heb een heel fijn thuis, een lieve vrouw en drie kinderen. Barbara was wethouder is de Gemeente Ferwerderadiel, nu, in de nieuwe Gemeente Noard-East Fryslân is ze raadslid. De kinderen zijn alle drie het huis uit en allemaal goed terecht gekomen. Met allen hebben we een frequent, maar vooral goed contact. Ook zijn er nu vijf kleinkinderen, die de komende jaren zeer zeker een gedeelte van mijn tijd mogen opeisen. Deze thuissituatie heeft mij ook gevormd. Dit is de vorm, die je zelf hebt gecreëerd en die je koestert.’

Mag je als politieman er thuis over praten?
‘Je móet je verhaal vertellen. Je hebt na bijvoorbeeld een dodelijk ongeval zoveel te verwerken, beelden die niet van je netvlies af willen. Tegenwoordig is het bij de politie goed geregeld, Je hebt je training gehad, er zijn een aantal vrijwilligers onder de collega’s, die je opbellen na een onprettige of moeilijke ervaring, je kunt naar een psycholoog of psychiater. Maar (glimlachend) wat de professionele ondersteuners niet hebben, is die speciale band met mij, die ik vind bij mijn echtgenote, degene aan wie ik durf te zeggen: het gaat niet zo goed met mij. Het thuisfront is zo belangrijk.’

En nu het afscheid van Ameland…
‘Helemaal afscheid van Ameland nemen, ga ik nooit doen. Mijn grootouders uit Zwaagwesteinde (ik ben een afstammeling van Salomon Levy) kwamen hier al. Via hun vakantie in Hollum kenden we de familie van Piet en Grietje de Boer-Nagtegaal en leerden we Ameland kennen. Als kleine jongen ging ik al met hen het wad op om te môdden: vis voelen èn vangen in de prielen, die overbleven bij eb. Die werden aan een naald en draad geregen en zo kwam je thuis met de gevangen botjes van het wad. Wat smaakten ze! Bij hun zonen kwam ik later ook over de vloer. Wat ik zeker erg missen zal, zijn de gesprekken aan boord van de veerboot. Wat heb ik een speciale mensen ontmoet. En dan is mijn moeder Gerda Twickler-Metz er nog, zij is zeker de reden om regelmatig terug te komen naar Ameland.’

Als we na het interview afscheid nemen, loopt Gjalt Wijbenga met me mee naar de deur. We praten over Ierse muziek. ‘Ieren zeggen bij een afscheid: God bless you’, vertelt hij. En nu bestaat eigenlijk geen betere zin om dit interview mee te eindigen: God bless you, Gjalt Uilke Wijbenga.

NagtegaalFotonl---De-Amelander---Jan-8


Mijn vader zei dan: ‘Wel leeg ow weg-hale hé suntke’.

Ingrijpen in de natuur is soms nodig, maar vaak ook niet. ‘Ingrijpen’ wordt vaak gedaan door (natuur) organisaties op basis van wat de organisatie goed of mooi vindt, maar niet altijd dat wat het beste is voor het landschap, of de dieren die in het betreffende gebied leven.

Om in te grijpen in de natuur gaat heel vaak gepaard met subsidie. Als ergens subsidie voor gegeven wordt dan is ingrijpen sneller aan de orde - en vaker ook ‘noodzake-lijk’ zo wordt er beweerd - dan wanneer er geen subsidie voor gegeven wordt. Zonder dit to-verwoord zouden een heleboel projecten niet eens de tekentafel halen, sterker nog: Er zou niet eens over nagedacht worden, laat staan dat iemand op het idee zou komen om in te grijpen.

Onlangs las ik op teletekst dat natuurorganisaties mogelijk hon-derden miljoenen aan subsidies, ontvangen tussen 1993 en 2012 terug moeten betalen. Onder meer twaalf Provinciale land-schappen kregen subsidie, net als Natuurmonumenten. Particuliere grondbezitters, zoals Stichtingen en Landgoedeigenaren kregen die gelden niet. Ze gingen uitein-delijk in hoger beroep bij het Europese Hof en het Hof zag de subsidies als ongeoorloofde staats-steun. De particulieren willen nu dat de overheid de subsidies te-rugvordert. Dat laatste gaat na-tuurlijk niet gebeuren, maar op dit moment subsidies voor derge-lijke (landschap) projecten aan-vragen kan ook een risico inhou-den.

Zoals ik in het begin van mijn verhaal reeds aangaf is elk ingrij-pen in de natuur geen verbete-ring en bij ingrijpen is de uit-komst vaak onzeker, maar wordt, mede dankzij subsidie, toch door-gezet. Er zijn op Ameland talloze voorbeelden, maar twee daarvan wil ik er wel uitlichten, namelijk De Meer ten oosten van Hollum en het in 2012 uitgevoerde kli-maatbufferproject bij De Feu-gelpôlle.

De Meer was zoals ingewijden ongetwijfeld zullen weten, een drassig gebied en daardoor een zeer rijk vogelgebied met allerlei soorten en vooral grote aantallen weidevogels. Sinds het beheer is gewijzigd zijn de weidevogels zo goed als verdwenen. Nadat deze ‘misstap’ door de Vereniging tot Behoud van cultuur historisch medegebruik Ameland (VBA) aanhangig is gemaakt bij de be-heerder, heeft men toegezegd het beheer ingrijpend te zullen aanpassen, waarvoor hulde. Dit zou in het vroege voorjaar al gebeuren, maar toen was het te nat om met machines het land op te gaan. Ben benieuwd hoe het herstel van dit gebied gaat uit-pakken en wanneer dit gaat ge-beuren.

Voor wat betreft de Feugelpôlle is er altijd strijd geweest hoe ver oostelijk excursies en andere bezoekers van dat gebied moesten omlopen vanaf de stenen trap richting het oosten. Uiteindelijk is er iemand van Economische Zaken gekomen en die heeft be-paald dat aan de oostzijde op een bepaald punt een mobiele trap moest komen tijdens het broed-seizoen. Deze is er ook gekomen, maar staat wel verder oostwaarts dan de afspraak was. Er is nog verschillende malen geprobeerd om deze trap nog verder oost-waarts te krijgen, maar dat is er gelukkig niet van gekomen. Mocht de schelpenbank nog ver-der oostwaarts aangroeien dan komt er op de plaats van de mo-biele trap een corridor richting het Wad.

In mei 2017 is deze trap uiteinde-lijk geplaatst en moet iedereen over de buitendijkse weg lopen om tijdens het broedseizoen toch op het Wad te kunnen komen bij de Feugelpôlle. Vóór die tijd werd er vanaf de stenen trap oost aan gelopen vlakbij de sloot langs. Toen werd met name de excur-siegidsen verweten dat ze daar een heel pad hadden gevormd met platgetrapt zeekraal. Dat klopt, maar die route was niet uitgezet door de gidsen, maar door een natuurorganisatie, in opdracht van LNV, want die gaan officieel over de verbodsborden en Rijkswaterstaat is de officiële beheerder van dit gebied. Inmid-dels groeit er echter weer alle-maal zeekraal op het voormalige ‘looppad’.

Tijdens de dijkverhoging heeft dezelfde organisatie aan de aan-nemer van de dijkverhoging op-dracht gegeven om een soort slufter te graven recht voor de stenen trap en dwars door het zeekraal heen. Dit om zogenaamd de afvloeiing van het daar aanwe-zige water vlotter te laten verlo-pen. Echter alleen bij harde (NW) wind en of springtij staat er water op het zeekraal aldaar. Verder nooit. Bovendien is deze slufter recht door het zeekraal heen gegraven en zoals gezegd recht voor de stenen trap. Om de af-vloeiing van het water te bespoe-digen is zeker niet gelukt, want er blijft zelfs water in deze slufter staan, terwijl daar voorheen nooit water stond. Boze tongen bewe-ren echter dat de slufter gegra-ven is om de toegang tot de Feu-gelpôlle en het achterliggende gebied zo veel mogelijk te be-moeilijken, ook buiten het broed-seizoen om. Welnu dat is in ieder geval wel gelukt, want het is voor de stenen trap in het verleden nog nooit zo’n ‘slikbende’ geweest als nu, ondanks de ‘betere afwate-ring’. Overigens groeit er in deze gegraven slufter nooit geen zee-kraal meer, tenzij die weer wordt dichtgegooid. Je kunt namelijk spreken van een mislukt project waar overigens - volgens mij althans - geen subsidie voor ver-kregen is. Maar het kan nog her-steld worden als je e.e.a. weer dicht gooit. Je mag toch niet zon-der vergunning in het ‘werel-derfgoed’ een slufter graven? Baggeren in het werelderfgoed om de veerboot sneller te laten varen mag namelijk ook niet overal, of Ameland(ers) daar nu last van heeft (hebben) of niet.

Tijdens de vergadering tussen VBA en SBB op 3 juli 2019 is er door de VBA gevraagd of de corri-dor op de Feugelpôlle niet achter de stenen trap kan komen. Het antwoord was nee, want dan loop je door de meeuwenkolonie heen. Dezelfde avond was er een verga-dering over het Hagedoornveld en daar werd de vraag gesteld - aan dezelfde persoon - waarom het (nieuwe) fietspad juist door de meeuwenkolonie moest lopen. ‘Oh, die hebben daar geen last van, die gaan wel opzij’. Tsja, het antwoord is afhankelijk van: ‘Hoe het vogeltje gebekt is’. Of wat beter bij mij past: ‘Een ieder vist op zijn getij’.

Het voorgaande valt echter alle-maal in het niet bij het zgn. ‘Kli-maatbufferproject’. In 2012 werd dit project gestart en tot 2022 wordt e.e.a. gemonitord. De be-doeling van dit project was om de Feugelpôlle aan de westkant te-gen erosie te beschermen, aange-zien de kwelder de laatste decen-nia steeds kleiner is geworden. Partners in dit traject waren RWS, SBB, de Gemeente, Wetterskip, Ministerie I&M, de Waddenver-eniging, Vogelwacht Hol-lum/Ballum en Programma Rijke Waddenzee. Ook hier was het toverwoord ‘subsidie’.

Het was de bedoeling om met kleischelpen en rijshouten dam-men de kweldervorming te stu-ren, dan wel te stimuleren. Er werd conform de plannen een kilometer aan rijshouten dammen om de kwelder heen aangelegd en een ander deel van deze dammen ligt daar zuidwestelijk van iets verder het Wad op. Ook bewesten het Skûtegat liggen (lagen) nog wat rijshouten dammen. Verder zijn er kleischelpen tegen de kwelderrand aangebracht en ‘last but not least’, er werd een onder-grond (substraat) geplaatst waar mosseltjes zich op kunnen vesti-gen. Om met dit laatste te begin-nen: Mosselen hebben om zich te vestigen en te overleven niet alleen een goede ondergrond nodig, maar ook plankton als voedsel. De plek waar het sub-straat ligt - tegen de kwelderrand aan dus - is zo’n beetje de hoogwa-terlijn en alleen met hoog water komt daar zout water en zouden de mosselen (plankton) kunnen eten. Op de bedoelde plek zijn dus geen mosselen gekomen.

Wanneer ik vroeger ’s winters mosselen ging halen, dan deed je dat met zuidoosten wind, want dan is er het meeste water weg, zoals elke Amelander weet. Mijn vader zei dan: ‘Wel leeg ow weg-hale hé suntke’. Ja pa, was dan het antwoord. Wanneer je namelijk mosselen met zuidoosten wind en laag water ook nog eens uit het water haalt dan zijn dat mosselen die 24 uur per dag kunnen eten, omdat er zelfs met heel laag water nog plankton te vinden is. Dit zijn de lekkerste. Ze zijn niet per se groter, maar ze zitten wel vol. In de winter met zuidoosten wind kan het echter behoorlijk koud zijn en dan was je ook nog zonder handschoenen. Je zocht dus ook wel eens mosselen op die wat ‘hoger’ lagen en niet in het water. Wanneer pa de mosselen dan gekookt had en de buit bekeek, dan zag hij dat direct. ‘Nou suntke deuze komme niet allemaal fan leeg ow weg’. Tsja.

De rijshouten dammen zuidweste-lijk van de Feugelpôlle kun je eigenlijk geen rijshouten dam-men meer noemen, want al het rijshout is er allang uitgespoeld. Alleen de paaltjes staan er nog en het plastic draad waar het rijshout mee vastgebonden zat zit er ook nog steeds in. Wie van de instan-ties of welke persoon heeft dat bedacht: ‘Plastic draad’ gebruiken op het Wad, maar wel moord en brand schreeuwen als er piep-schuimen bolletjes van de MS Zoë op het strand liggen en wellicht de duinen in gewaaid zijn. Natuur-lijk is het verliezen van contai-ners niet goed voor het milieu, maar hier kun je nog spreken van een ongeluk, terwijl het hiervoor genoemde plastic draad bewust is gebruikt.

Dan nog de rijshouten dammen bewesten het Skûtegat. Ook hier kun je eigenlijk niet meer spre-ken van ‘rijshouten’ dammen, want ook hier is praktisch al het rijshout weggespoeld, ondanks – ook hier weer – het plastic draad en de in de natuur afbreekbare plastic bakjes. Deze dammen wa-ren bedoeld om er mosselen op te kweken. Eerst is het noordelijke gedeelte geplaatst en daarna het zuidelijke deel. Een poos later zaten er inderdaad mosseltjes op het zuidelijke deel (daar komt namelijk meer water en dus meer plankton) en ik heb gezien dat er mensen (studenten?) waren die ze er af hebben gehaald voor onder-zoek dacht ik dat ze zeiden.

Of de hiervoor genoemde ‘af-breekbare plastic bakjes’ ook in-derdaad afbreekbaar zijn weet ik nog steeds niet, maar feit is wel dat je ze nog steeds tegenkomt op het Wad en we kunnen met ze-kerheid zeggen dat ze in ieder geval de eerste acht jaar NIET afbreekbaar zijn in de natuur, want ze zijn in 2012 geplaatst. Bovendien zitten ze nog steeds tussen de paaltjes in daar waar het rijshout grotendeels is wegge-spoeld ondanks het plastic draad. Dit draad is zeker niet afbreekbaar maar de oester op de foto heeft er zo te zien geen last van en heeft dit mooie stukje plastic ‘omarmd’.

Dat er projecten gedaan worden en uitgevoerd worden, al dan niet met subsidie is natuurlijk geen probleem, maar als iets mislukt, het werkt niet goed, of de doel-stellingen worden niet gehaald: Ruim dan in ieder geval de ont-stane rotzooi op en zeker op het Wad. Daarvoor hoef je niet te wachten tot 2022 als iedereen is ‘uitgemonitord’ over dit project, want mislukt is het toch al en de kwelder is alleen maar verder afgebrokkeld.

Harmen Wijnberg
www.wijnberg wadexcursies.nl

IMG2240
IMG2239
IMG2237
IMG2231
IMG2230
IMG2229
IMG2228
IMG2197
IMG2224
IMG2193


De veerdienst van Wagenborg Passagiersdiensten (WPD) is door de overheid aangemerkt als vitale verbinding en valt onder het OV-protocol, omdat het de levensader voor de eilanders is. ‘Sinds 1 juni mag WPD weer volgens de normale dienstregeling varen, omdat we aan een aantal coronamaatregelen van de Veiligheidsregio Fryslân voldoen’, stelt WPD-directeur Ger van Langen.

Mondkapjesplicht

Het gebruik van een niet-medisch mondkapje is verplicht als je reist met de veerdienst, omdat niet overal de anderhalve meter afstand kan worden geboden. ‘We merken dat steeds meer mensen zich hier niet aan houden en zien het draagvlak voor het dragen van mondkapjes langzaam afbrokkelen. Daarin schuilt een gevaar. De Veiligheidsregio signaleert dit ook en attendeert ons hier nadrukkelijk op’, aldus Van Langen.

Eilander economie

‘Het is nog maar even geleden dat we grote zorgen hadden over de toekomst. De toekomst van de veerdienst en vooral die van de eilander economie. In de afgelopen drie maanden hebben we de veerdienst weer op een ‘normaal’ niveau uit kunnen voeren. Geen evenementen, geen groepen, maar meer fietsen, meer auto’s en meer verblijf-toerisme. In diezelfde periode hebben wij regelmatig kritiek gekregen op het mondkapjesbeleid dat wij van de Veiligheidsregio moeten uitvoeren. Dit komt bij onze mensen soms hard aan. Het aanspreken van reizigers op het verplichte mondkapje is niet leuk, maar wel noodzakelijk.’

Verantwoordelijkheid nemen

Van Langen benadrukt: ‘De mondkapjes maken dat we zonder capaciteitsbeperking ons werk kunnen doen en daarmee de eilander economie aan de gang kunnen houden. De mondkapjes zijn daarom een zegen. Doordat we zichtbaar de opgelegde maatregelen uitvoeren, kunnen we door. Het handhaven van de maatregelen, de kritiek van enkele mensen en de veranderende toon van onze passagiers maken de mondkapjes ook een last. Maar door samen de ingezette lijn vol te houden, kunnen we ons werk blijven uitvoeren en de eilander economie aan de gang houden.’

Tot slot doet Van Langen een oproep aan de eilanders. ‘Jullie zijn als geen ander afhankelijk van de veerdienst. Help ons bij het uitvoeren van het mondkapjesbeleid. Laat ons met elkaar het goede voorbeeld geven in het belang van de leefbaarheid op de eilanden.’


Dat Covid-19 nagenoeg alle bedrijven op het eiland een zeer lastig jaar heeft bezorgd, is geen nieuws meer. Maar er is één groep die er wel erg uitspringt in negatieve zin. Naast een slecht voorseizoen, zijn ze ook in de zomer en het najaar zwaar getroffen wegens annuleringen: de groepsverblijven. Het is inmiddels september en de groepsaccommodaties hebben nog steeds een ongelooflijk lage bezettingsgraad. Is er voor hen al licht aan het einde van deze tunnel?

Rode cijfers

September is normaal gesproken de maand dat tieners en twinti-gers het eiland opvrolijken omdat ze de aftrap doen van het nieuwe schooljaar. Schoolreisjes, de in-troductiekampen van hogescho-len en universiteiten maar ook muziekkorpsen en sportvereni-gingen bezoeken vaak ieder jaar opnieuw Ameland. Behalve in 2020. Hotels en appartementen, die zich dikwijls richten op ge-zinnen en kleine gezelschappen, kunnen hun jaar ook niet met winst afsluiten. Toch kon deze groep recreatieondernemers door de goede zomer vaak wel de vaste kosten van het jaar nog halen door na juli weer gasten te ontvangen. Voor de groepsac-commodaties lag dat dit jaar he-laas heel anders.

Stapelbedden er uit, boxspings er in

Lange tijd was het onzeker of en wanneer precies de groepsver-blijven weer gasten mochten ontvangen. De gemeente gaf rond 1 juli aan dat groepsaccommoda-ties, onder voorwaarden, weer open mochten. Echter hadden de meeste groepen (zo niet alle) tegen die tijd al geannuleerd en nieuwe groepsreizen kunnen niet last-minute nog geregeld worden. Sommige accommodaties hebben geprobeerd met losse kamerver-huur of tenten op hun terrein nog wat van hun zomerseizoen te maken. Creatieve initiatieven om het jaar door te komen.

De blik op de toekomst, wat doet 2021?

Een aantal eigenaren van groeps-verblijven heeft een baan naast hun onderneming zodat er wel een inkomen is. Dat is echter lang niet voor iedereen het geval. Vereniging Groepsverblijven Ameland (VGVA) weet wat er op het eiland speelt. De meeste groepsaccommodaties die zij ver-tegenwoordigen hebben onge-veer 90% minder inkomsten ge-had dan in 2019. De meeste groe-pen hadden wel een aanbetaling gedaan, maar die werd toch vaak weer teruggestort. Een eigena-resse van een groepsverblijf ver-telt: ‘Je denkt toch vooruit en wilt je vaste groepen niet kwijtraken. Als je wilt dat ze in 2021 bij je terugkeren dan moet je toch coulanter zijn dan dat in de kleine lettertjes van het contract staat opgenomen. Veel scholen waren ons dankbaar en hebben nu al geboekt voor mei/juni 2021.’ Er was een enkele grote groep van 46 personen die wel wilde komen, maar dat hebben de ondernemers toch maar afgewezen, omdat ze niet het risico wilden nemen dat ‘hun groep’ het virus naar het eiland zou brengen.

Sommige eigenaren overwegen serieus om, liefst deze winter nog, hun groepsaccommodatie om te bouwen naar appartementen waar ze kleine gezelschappen kunnen ontvangen. Reden? ‘Nog zo’n rampjaar is de doodsteek voor veel bedrijven. Deze doelgroep blijft in geval van een voortsle-pende Coronatijd nog wel reisjes boeken. Anderen vrezen dat Ame-land de groepen dan wel zal mis-sen, want het geeft wel een gezel-lige sfeer op het eiland.’

Kijken naar wat er wél kan

Inmiddels komen middelgrote groepen ook weer mondjesmaat naar Ameland. De VGVA heeft geholpen om voor al haar 50 le-den veiligheidsprotocollen op te stellen, zodat er weer groepen kunnen worden ontvangen. Zo mag ieder stapelbed nog maar door één persoon worden ge-bruikt: een capaciteitsreductie van 50% per zaal/kamer. Maar het geeft wel weer mogelijkheden om binnen de gestelde regels te on-dernemen.

Hogeschool Van Hall Larenstein te Leeuwarden heeft een aantal relatief kleine studierichtingen. De opleiding International Busi-ness kwam bijvoorbeeld met vier studenten naar het eiland. De groep Agrarisch Ondernemer-schap met twaalf en Agrarische Bedrijfskunde met zeven studen-ten. De directie van de hoge-school had vooraf aan de docenten gevraagd een aangepast pro-gramma te maken. Ze kregen een overzicht van alle activiteiten met een borging of het kon wor-den uitgevoerd binnen de ander-halvemeterregel. Studenten on-dertekenden het Coronaprotocol van zowel de school als de groeps-accommodatie. Uitgaan mocht alleen op terrassen en er was een avondklok om 23.00 uur ingesteld om de verleidingen niet te groot te laten worden. Overdag was het programma vol met excursies en gastcolleges waarbij de afstand en hygiëneregels konden worden gehandhaafd.

Het tijdelijke ‘nieuwe normaal’

Zo bezochten de Leeuwarder studenten het bedrijf Outdoor Ameland, waar ze een gastcollege kregen van de ondernemers en vervolgens op de Noordzee gin-gen watersporten. Bij het klim-centrum, gelegen in De Vleijen, werden de studenten opnieuw uitgedaagd om individuele op-drachten te doen. Docenten leg-gen uit: ‘We hebben dit jaar het programma verschoven van teamactiviteiten naar individuele ontplooiing en zelfreflectie. Dat is net zo goed leerzaam én gezellig. Er werden opdrachten uitgevoerd die studenten aan het denken zetten hoe zijzelf functioneren, welke risico’s ze nemen op het water en wat ze wel of niet dur-ven op grote hoogte in het klim-park.’ Ook het vissen bij de forel-lenkwekerij te Buren ging prima. Een viertal studenten koos voor een natuurexpeditie met Theo Kiewiet om meer te leren over de biodiversiteit van het eiland. Theo bewaakte zelf zeer goed de afstandsregels en ook de studen-ten zijn er na een half jaar inmid-dels aan gewend. Wat dat betreft is het inmiddels toch echt wel ‘het nieuwe normaal’ geworden. De studenten hoefden trouwens ook niet te verhongeren doordat het programma van te voren goed was afgestemd met de horecaon-dernemers op het eiland. Twee-maal werd een restaurant afge-huurd op een gunstig tijdstip voor de ondernemers, zodat de groep daar met de anderhalvemeterre-gel een maaltijd kon krijgen. Een bbq bij de kampeerboerderij was ook makkelijk te organiseren.

Studenten Agrarisch Onderne-merschap vertellen: ‘Wij zaten sinds maart al thuis op de boerde-rij. Deze hele klas heeft elkaar het afgelopen half jaar niet kunnen zien en we kregen volledig digi-taal onderwijs. Thuis was het heel hard werken en was er behoorlij-ke spanning aan de keukentafel om het hoofd boven water te houden. Veel van ons hebben een thuisbedrijf dat bijvoorbeeld bloembollen exporteert of pata-taardappelen verbouwt. De schu-ren lagen vol met deze producten, omdat er gewoon geen vraag naar was. We hebben hier nu drie fijne dagen gehad en de regels zijn keurig nageleefd, want niemand heeft er toch belang bij ziek te worden of slecht in het nieuws te komen?’

De samenwerking zoeken, kansen zien


Zullen de groepen in 2021 alle-maal weer terugkomen? Onder-nemer van Outdoor Ameland, Pieter Helfrich, is daar niet hele-maal zeker van. De tijd dat het vanzelf ging is nu wel voorbij. ‘We zullen als ondernemers van groepsactiviteiten/-accommodaties moeten kijken hoe we elkaar kunnen helpen en versterken om de groepen weer naar ons eiland te kunnen krij-gen. Eigenlijk is er nu al heel veel mogelijk binnen de regels. Hele-maal op dit eiland, waar we ons gespecialiseerd hebben in toeris-me, kunnen we onze diensten aanpassen.’ Een voorbeeld is het alternatieve programma dat ze maakten voor de studenten van Hogeschool Van Hall Larenstein. In plaats van met elkaar teamspel-len te doen, werd een mini-ondernemerschap college gege-ven met een praktijkopdracht in de open lucht, op afstand van elkaar. ‘De studenten gingen ver-volgens ideeën pitchen hoe ons bedrijf zich verder zou kunnen ontwikkelen. Er kwamen veel nuttige tips uit waar wij wat aan hebben. Zo hadden we toch met elkaar een mooie opdracht die ochtend.’ Kortom: met de nodige aanpassingen, kunnen middelgro-te groepen toch best een goede tijd hebben samen, binnen de geldende afspraken.

Voor vragen of delen van creatieve oplossingen over de toekomst van onze groepsaccommodaties en de toerist van de toekomst op Ameland kunt u contact opnemen via VGVA Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.


'Alles begint met een goed verhaal’

Het gebeurt niet vaak dat je in een interview veertig jaar toeristische geschiedenis van Ameland krijgt voorgeschoteld. Termen als slechtweervoorziening en seizoensverbreding, veertig jaar geleden gebruikt door visionairs in de tijd dat de zomeractiviteiten op Ameland zes tot acht weken duurden, zijn allang weer vergeten en verdwenen uit ons woordgebruik. Toch weet Joop de Jong zich deze begrippen nog als de dag van gisteren te herinneren. Hij was als 24-jarige begonnen als beheerder van het kleine, maar knusse natuurmuseum midden in Hollum, waar nu de Bakker Hoeve in gevestigd is. ‘Het was pionieren, maar ik zag al snel de potentie in de organisatie’. Nu, veertig jaar later kun je op Ameland een prachtig Natuurcentrum bezoeken, maar ook het Sorgdrager- en het Maritiem museum, de beide molens in Nes en Hollum, de vuurtoren en het Bunkermuseum. De musea zijn niet meer los te denken van het toeristische Ameland. Joop de Jong neemt op 1 januari a.s. afscheid als directeur van de overkoepelende Stichting Amelander Musea.

Na de PABO en militaire dienst belandde je min of meer toevallig in de museumwereld? Het was een stap in je leven, die je wellicht nooit had voorzien.

Joop de Jong: ‘Inderdaad was ik na mijn militaire diensttijd begonnen voor de klas. Maar het was het niet voor mij, dat was me snel duidelijk. Toen de beheerdersfunctie vrij kwam, besloot ik te solliciteren. Ik heb altijd gevoel gehad voor natuur, maar ook voor cultuur. Ik was inmiddels een vervolgopleiding cultuurgeschiedenis gestart. Ik wist niets van de museumwereld. Maar we hadden een voortvarend bestuur: Oense Straatsma, Anne Beijaard, Trino van der Geest, Yme Brijker, Cor Gransbergen, Aukje de Boer-Wagenmakers en Martha Wijnberg. Ik kreeg de kans cursussen te doen aan de Reinwardt-academie; er wordt een bachelor- en masteropleiding gegeven op het gebied van cultureel erfgoed. Boswachter Trino van der Geest raadde me aan cursussen te volgen op Kasteel Groeneveld in Baarn. Ik heb daar stage gelopen en de tentoonstellingsbouw kunnen meemaken van bezoekerscentra van Staatsbosbeheer, de licht- en klimaatbeheersing hadden mijn bijzondere interesse. Ondertussen verhuisde het museum in 1983: van de Westerlaan in het centrum van Hollum (Bakker Hoeve was toen nog de schuur van Dirk Engels) naar het centrum van Nes; naar waar nu Sake is gevestigd. Het was vroeger de openbare school van Nes en jarenlang was het in gebruik als gymnastiekzaal’.

Toch bleef het daar niet bij: het museum verhuisde naar de Rots en kreeg een mooi groot zeeaquarium.

‘We praten nu over 1987, het jaar van de aankoop en 1988 de openstelling. Het gebouw was dé entreepoort voor het pas aangelegde recreatiegebied de Vleyen. Het was een mooie periode! We konden het geleerde in praktijk brengen en kregen een educatieve dienst. Daarvoor konden we bioloog Johan Krol aantrekken. Het was een enorme vooruitgang, we zagen de bezoekersaantallen stijgen. Dat betekende inkomsten, waarmee we weer verbeteringen aan konden brengen, we zaten ruimer in onze jas, konden ons een professionele tentoonstellingsbouwer als Jetze Hakse veroorloven. Behalve het prachtige zeeaquarium was er nóg een publiekstrekker: de mogelijkheid om een wisselexpositie in te richten. We startten met een expositie van schilderijen van Marjolein Bastin. Daarmee hadden we een dubbele opening: de opening van het nieuwe Natuurcentrum én de opening van de expositie van Marjolein Bastin. We nodigden daarvoor het burgemeestersechtpaar van toen uit: Michiel Zonnevylle opende het gebouw en de charmante Elsbeth, zijn echtgenote, opende de expositie van Marjolein Bastin. Het bracht veel Libelle-lezeressen naar het eiland en andersom had Marjolein Bastin Ameland in de jaren daarvoor bij de lezeressen gebracht. Het was precies het goede moment voor een eilandbezoek.’

Een groot zeeaquarium, dat vereist speciale aanpak.

Joop leunt achterover en vertelt: ‘Daarover hadden we ons natuurlijk uitvoerig laten voorlichten. Via Staatsbosbeheer kregen we water uit de Noordzee aangevoerd. Op een zondagavond, de opening van het Natuurcentrum was nog maar pas achter de rug, was ik van plan om nog een controleronde te maken. Toen ik de deur opende, bleek er zeewater in het hele museum te staan. De schrik sloeg me om het hart: het aquarium was leeg gelopen, in de laatste vijftig centimeter zwommen alle vissen rond. Onmiddellijk belde ik met Johan Krol en Kees Brouwer, die het aquarium en de vissen verzorgde. Hij ontdekte de oorzaak al snel: er was een paling in een terugslagklep gezwommen. De paling had deze actie niet overleefd en de gevolgen waren verschrikkelijk. Vloerbedekking en de rest van de inrichting, alles was nat. De vissen hebben we eerst gered. We hebben daarna thuis handdoeken opgehaald. Tot diep in de nacht hebben we doorgewerkt, de zaak droog getrokken en alles zoveel mogelijk drooggemaakt. We brachten luchtkanonnen en andere kachels erin om te drogen en geloof het of niet: de volgende morgen kon het museum én het zeeaquarium gewoon weer open en bewonderd worden. Zelfs de vloerbedekking was droog en kon daarna nog jarenlang mee. Dan is er nog het verhaal van het geheimzinnige muurtje. Dat speelde zich nog eerder af: bij de aanleg van het zeeaquarium. Daarvoor moest een muurtje gemetseld worden, waarop het aquarium kon staan. Maar John Griesheimer, Richard de Ree en Sjors de Ree, die mij hielpen konden niet metselen. We zetten de maten voor het muurtje vast uit en zouden de dag erop actie ondernemen om er een metselaar bij te krijgen. Toen we de volgende morgen terug kwamen, bleek het muurtje er te staan en was het ook al behoorlijk hard. We konden verder met het plaatsen van het aquarium. Tot op de dag van vandaag weten we het niet: wie was de metselaar van dat geheimzinnige muurtje…?’

Het tekent de sfeer van samenwerking! Met z’n allen de schouders eronder.

‘Dat werd alleen nog maar beter. Het team waardeerde elkaar, laag- of hoogopgeleid, men bundelde de krachten. Iedereen wordt gerespecteerd om wat hij doet. Dat bleef zo toen in 1994 duidelijk werd dat de Stichting de Ouwe Pôlle een manager/coördinator zocht voor de musea Swartwoude en het Sorgdragermuseum. Het was een uitdaging voor mij, maar het pakte enorm goed uit. In 1995 kwam de Stichting Paardenreddingboot en het Maritiem museum er bij. We spraken een periode van vijf jaar af, die we nodig dachten te hebben om aan elkaar te wennen. Achteraf gezien was die ontwikkeling in ’94 en ’95 een mijlpaal. Na twee jaar concludeerden we al: we willen nooit weer anders! Toch hebben we die gewenningsperiode van vijf jaar volgemaakt om te komen tot één team. In 1999 werd een samenwerkingsovereenkomst opgesteld en is de STAM (Stichting Amelander Musea) met een heel nieuw bestuursmodel opgericht, waar later de molens en de vuurtoren aan toegevoegd zijn.’

Een kroon op je werk?

‘Zo zou je het kunnen noemen, maar we doen het met z’n allen. Er zijn vijf verschillende besturen actief bij de STAM, er werken bij de musea 20 tot 25 medewerkers en we kunnen een beroep doen op 120 vrijwilligers. Ik noem de voerlieden en vrijwilligers van de paardenreddingboot. De mosterdmakers, de dames van de inpak en het vullen van de mosterdpotjes, in het Sorgdragermuseum en in Swartwoude worden gedurende het weekend de bezoekers verwelkomd door vrijwilligers. Het is een eindeloze lijst van goodwill’.

Het lukt maar weinig mensen om gebruik te kunnen maken van een subsidiepot, je staat er echter om bekend dat jij als geen ander de weg weet in subsidieland. Zo wist je voor de molen in Hollum een heel nieuwe bron van inkomsten aan te boren: het mosterd malen, verwerken en de verkoop van een nieuw Amelander product.

‘De beide molens waren in 2002 onderdeel geworden van de STAM. De subsidieverstrekkers wilden deze specialisatie als mosterdmolen zien voor de Holllumer molen. Soms is het dus ook andersom: wijzen subsidieverstrekkers je zelf de richting. De molen werd in 2003 geopend. Het is met subsidies een kwestie van een goed verhaal. Financiering moet niet de reden zijn om iets wel of niet te gaan doen. Zeker heb ik een zakelijke inslag, maar er is meer voor nodig om een subsidieverstrekker mee te krijgen. Het begint bij een goed verhaal, een idee waarin je gelooft. Als ik ergens in geloof en enthousiast over ben, dan wil ik zo’n initiatief ook gerealiseerd hebben, daarvoor trek ik alles uit de kast. Er zijn dan altijd potten te vinden en soms is het een kwestie van tijd en moet je volhouden. Steeds vanuit je ooghoeken kansen in de gaten houden met in je achterhoofd dat idee. Ik laat zo’n idee moeilijk los. Het is bij de molens wonderbaarlijk goed uitgepakt en fantastisch dat we met zoveel mensen het product Amelander mosterd op de markt hebben kunnen brengen. Daar ligt in mijn beleving nog veel meer potentie, de plannen voor het bouwen van een oliemaalinstallatie bij molen de Phenix vorderen gestaag, maar ik ben ervan overtuigd dat we volgend jaar Amelander zeep kunnen maken.’

Kun je je de eerste keer nog herinneren dat je een subsidieverstrekker over de streep haalde?

‘Dat weet ik nog precies! Het leuke is dat het er nog altijd is en nog altijd werkt: het gaat om de invalidenbaan bij de toegang van wat nu Sake’s shop is aan de Rixt van Doniaweg. Toen was daar het Natuurmuseum in gevestigd. De slogan op Ameland was in begin jaren tachtig: Ameland is voor iedereen. Het was dus heel logisch dat we een rolstoelbaan wilden hebben bij het Natuurcentrum. We hadden echter het geld niet in kas, dus heb ik een potje aangevraagd. Het idee ‘rolstoel toegankelijk’ heeft me nooit losgelaten. In het Sorgdragersmuseum hebben we aanpassingen aangebracht in de schuur en de expositieruimte. Daardoor is het prachtige auditprogramma, wat daar wordt aangeboden, door iedereen te volgen. En dan is er natuurlijk de lift tot helemaal boven bij het uitzichtplateau in het nieuwe Natuurcentrum. Door een aantal verhuizingen kregen we zicht op welke speciale basisbehoeften er zijn om een gebouw toegankelijk te hebben voor iedereen. Zo hebben we ook nog overwogen om via een lift het Bunkermuseum toegankelijk te maken. Dat werd echter te ingrijpend, te lastig en te kostbaar.’

Het Bunkermuseum…. Ik heb indertijd een interview met je gehad over dit project toen de ingang naar deze bunker pas was bloot gelegd.Je beschreef het als een jongensdroom die uitkwam, toen je als eerste naar binnen kroop en met een zaklamp de vertrekken kon verkennen.

‘Ik kan me dat gevoel nog goed herinneren. Ik zie nog voor me hoe Dirk Visser met priemen aan het zoeken was naar de omtrekken van die bunker. Het is een mooi project geworden, al was er eerst de nodige scepsis, er is veel belangstelling voor, het voegt wat toe. Ik zal nooit die keer vergeten dat we bezig waren om het vooroorlogse zomerhuisje bij de bunker te plaatsen. Er kwam een Duitser naar ons toe en vroeg ons waarmee we bezig waren. Hij begon te huilen en zijn excuses te maken. Hij bleef maar herhalen: es darf nie wieder passieren. Al zijn opgekropte frustratie kwam eruit. Het doet mij wat dat het mensen emotioneel zo raakt. Pas geleden kregen we nog een serie kranten uit de oorlog in de tijdsperiode ’40–’45. Ze bevatten een schat aan informatie uit de eerste hand. Ik heb altijd interesse gehad voor historie, er valt over de geschiedenis van Ameland zoveel te onderzoeken.’

Maar het bunkerproject, de studie over de Atlantic Wall bracht je veel verder. Ook op de andere Friese eilanden was je de aanjager bij het blootleggen van de bunkercomplexen. Pas zag ik het bunkermuseum op Schiermonnikoog en liep door de vertrekken daar, begeleid door een enthousiaste verteller, een vrijwilliger trouwens.

‘Op alle eilanden ontbrak de cultuur-historische voorlichting over de Tweede Wereldoorlog. Terwijl de tastbare bewijzen, de bunkers nog verborgen in het landschap aanwezig zijn en er bijna op gewacht hebben om open gegraven te worden. We hebben ervoor een aanvraag ingediend bij het Waddenfonds en de Provincie. Met name van de Provincie Fryslân hebben we heel veel steun gehad, niet alleen financieel. We wilden aansprekende beelden creëren, maar hoe dan. Het zijn op alle eilanden heel verschillende bunkermusea geworden: het immense complex van de Tigerstelling op Terschelling, Tigerstellung 12 H op Vlieland en het wat kleinere, maar heel overzichtelijke Bunkermuseum Schlei op Schiermonnikoog. Het in beeld brengen van de oorlogsomstandigheden is in mijn ogen op alle eilanden goed gelukt. Op Terschelling is de enorme wirwar van bunkers in de Tigerstelling alleen met gidsen te betreden en alle rondleidingen zijn uitverkocht, weken van tevoren. Het overzichtelijke bunkermuseum Schlei op Schiermonnikoog is veel toegankelijker. Mooi is ook dat daar wisselexposities worden aangeboden, zoals nu over het reddingswezen op Schiermonnikoog. Imposant is ook de bunker Wassermann op het hoogste duin met het geweldige uitzicht. Het is wellicht ook de combinatie van het bezoek dat je helemaal vrij kunt brengen aan de bunker Wassermann, de Begraafplaats Vredeshof, waar soldaten en drenkelingen van allerlei nationaliteiten liggen begraven en het daar relatief dichtbij gelegen bunkermuseum Schlei, wat maakt dat je deze wereldoorlog bijna weer aanvoelt.’

Terug naar Ameland. Het bunkermuseum op Ameland werd geopend in 2016, maar eerder had zich hier in de museale wereld nogal wat afgespeeld. Ik bedoel dan het jaar 2009 met zowel de bouw van het Natuurcentrum als de verbouw van het Maritiem Centrum.

‘Aan de bouw van het Natuurcentrum op deze plaats ging een lange periode van voorbereiding vooraf. Om echt verbinding met de natuur van Ameland te hebben hadden we als bestuur en medewerkers een andere locatie op het oog: De Kaapsduun. Dicht bij zee, mooi uitzichtpunt en bouwkundig kon het weggewerkt worden in een duincomplex. We hebben er twee maal een informatieavond over gehouden, gezegd: dit zijn onze ideeën en het zijn in onze ogen goede ideeën, maar er was veel weerstand. We hebben de stekker eruit getrokken en zijn teruggekomen op onze eigen locatie: de poort naar deVleijen. We hebben voorafgaand aan de bouw een wedstrijd uitgeschreven onder vijf architecten, waarbij de uitkijktoren een van onze wensen was. Gunnar Daan kwam met het winnende ontwerp. De vier andere architecten waren ervan overtuigd dat het ontwerp vanwege de toren niet zou worden goedgekeurd, maar we kregen politiek Ameland aan onze zijde bij het zien van de tekeningen van Daan. Achteraf ben ik erg blij met het gebouw. Het heeft ons de mogelijkheid gebracht om kunst van Amelander bodem te exposeren. Daar kan ik echt van genieten. De verbouw van het Maritiem Centrum bleek ook een schot in de roos, vooral de verplaatsing van de paarden naar de nieuwe schuur. De attractie van de lancering van de Paardenreddingboot verdient dat ook. Vooral de simulator waarop jongens én meisjes zelf kunnen navigeren is een topper. Ook het inzicht in de sterrenhemel is iets wat mensen en weer de kinderen enorm aanspreekt, net als het kunnen beklimmen van de reddingboot. Jammer dat corona een streep haalde door alle tewaterlatingen, dit jaar.’

Is er iets wat ik vergeet te vragen en wel van heel groot belang was?

‘De stranding van de walvissen! Ik werd gebeld door burgemeester Roel Casimier over de walvisstranding bij Paal 17. ‘Er zijn oostelijker nog drie walvissen gesignaleerd’, meldde hij. Ook die waren gestrand. Ik stond versteld van de omvang van zo’n beest. Een bloederig filmpje herinnert in het Natuurcentrum in de zaal van het walvisskelet nog aan wat er zich toen ontspon op het strand. Oude walvisvaarders haalden hun messen tevoorschijn en de walvissen werden ontleed. We hadden tijd nodig: het aftakelingsproces van een kadaver verliep snel. Nog dagelijks herinneren de skeletten me aan deze dagen en het zien ervan spreekt bij iedere bezoeker tot de verbeelding. Wat een machtige dieren, maar ook wat een samenwerking na die stranding, dat kan alleen op Ameland.

Wat me heel erg aanspreekt is de coöperatieve gedachte, die we hier onder de paraplu van de STAM (Stichting Amelander Musea) laten zien: de samenwerking van museaal Ameland. Die coöperatieve gedachte kom je meer tegen op ons eiland: de Energiecoöperatie Ameland, Recreatiepark Klein Vaarwater en misschien een van de oudste coöperaties: de Vennoot, waarbij boeren hun vee, paarden, koeien, schapen op een gemeenschappelijke weide laten grazen. Ik vind het een erg mooie manier van samenwerken, die haar oorsprong heeft in de oude geschiedenis van Ameland. Zo’n vorm van samenwerking is van belang in deze tijd van corona waarin iedereen genoodzaakt is een stap achteruit te doen en vindingrijkheid te tonen.’

Ik herinner me een avond in het Maritiem Centrum, toen een tentoonstelling werd geopend en een film werd vertoond over de koopvaardijvaarders in de Tweede Wereldoorlog. Ik herinner me dat je Simon Elgersma een ereplaats gaf op de eerste rij. Simon was een oud-koopvaardijvaarder in de oorlog, die in militaire dienst gesteld was, een vergeten groep. Simon is na de oorlog weer op het eiland komen wonen. ‘Ik deed hem graag dat plezier vanwege zijn enorme betrokkenheid bij het eiland en de wijze waarop hij zich kon wegcijferen. Zo ging hij tot op zeer hoge leeftijd niet met de auto maar met de fiets naar het Oerd voor bijvoorbeeld het ringen van vogels. Hij dacht na over de gevolgen voor de natuur op de langere termijn. Dat ontbreekt tegenwoordig in mijn ogen.’

Je geeft aan er niet van te houden jezelf op de borst te slaan, maar na deze indrukwekkende lijst van bereikte resultaten in de Amelander museumwereld kan het toch niet anders zijn of je kijkt met voldoening en trots terug op deze loopbaan. ‘Ik wil het anders zeggen: er is geen dag geweest waarop ik niet met plezier op mijn fiets ben gestapt en naar het museum ben gefietst. Ik heb het geluk gehad dat de ontwikkeling van de musea om mij heen groeide, ik had veertig jaar de mooiste baan van Ameland’.

Amelandfotojoopdejong2020-4
Amelandfotojoopdejong2020-13
Amelandfotojoopdejong2020-1
Amelandfotojoopdejong2020-11
Amelandfotojoopdejong2020-9
Amelandfotojoopdejong2020-7
Amelandfotojoopdejong2020-3


© 2020 De Amelander. Alle Rechten Voorbehouden. Design by Webtool4all